As primeiras 200 linhas.
Mama, ben je wakker?
ZoZo. Waarom ben je al wakker? Het is nog vroeg.
Ga terug naar bed. -Kan niet. Olive is bang.
Mama.
Hier beneden.
Waarom zit je hier?
Ik heb toch gezegd dat ik die stomme babynaam niet meer leuk vind.
Ik heet Zoe.
En ik zit hier omdat ik me verstop.
Dat moest van Olive. Ze had gedroomd dat ze ons hadden gevonden.
Wie?
De Ademers. -Waar hebben we het nou over gehad?
Onze nieuwe regel. Regel vier. We mogen niet meer over ze praten.
Dat deed ik ook niet. Het was Olive.
Zeg maar dat we niet zijn gevonden.
Papa houdt de wacht, zoals altijd. We zijn hier veilig.
Hoor je dat, Olive?
M'n glimlach zit vast. -Haar glimlach zit vast.
Dat betekent dat ze niet meer wil glimlachen.
Ze is nog steeds bang.
Zou Olive zich beter voelen als we even bij papa gaan kijken?
Het is in orde.
Oké.
Kom.
Het is in orde.
Mama, kijk.
Dat is papa maar. -Hij ziet er anders uit.
Had je weer een nachtmerrie? -Papa.
Die nachtmerries hadden we toch weggestuurd?
Waarom ben je dan zo bang? -Dat moet je aan Olive vragen.
Was het Olive dit keer?
Hoe kan ze slapen met haar ogen open?
Niet gemeen doen. -Ik vroeg het me gewoon af.
Ze wil een verslag. -Dan pak ik m'n aantekeningen erbij.
M'n bril, graag.
Bedankt.
Om tien uur ging ik de wacht houden.
Om twee uur speelde ik 7 potjes patience. 4 gewonnen, 3 verloren.
4 verloren, 3 gewonnen. Zoe, je kijkt dwars door me heen.
Om vijf uur renden er wat herten bovenlangs.
En om zes uur hoorde ik kleine voetstapjes.
Misschien wel van m'n deugniet van een dochter.
Maar verder niets. Er bewoog helemaal niets. Niet eens...
Een Ademer? -ZoZo.
Nee, niet eens een...
je weet wel. -En de sloten?
Zitten ze nog steeds goed vast? -Wil je het controleren?
Mag dat? -Nee. Ze mag niet meer naar boven.
Wat? Dit aapje? Dat kan ze wel aan.
Ik kan het wel aan, mama. Ik ken de regels. Eén: Zachtjes doen.
Twee: Verlies nooit de controle.
Drie: Doe nooit de deur open. Vier: Nooit over de Ademers praten.
Voorzichtig, ZoZo. Je schoen. -Weet ik.
Zitten ze goed vast?
Ze zitten goed vast.
Mag ik niet op blote voeten lopen? -Nee, dat zou niet goed zijn.
Waarom niet?
Omdat we geen beesten zijn.
Dat moet je onthouden.
Ik ga toch niet naar buiten.
Wie wil er nou naar buiten als we de zon hebben meegebracht?
Weer een prachtige dag.
Maak jij het officieel?
Niet te hard. Ik wil niet dat je je snijdt.
Het lukt me wel.
Oké.
Hoeveel dagen zijn het nu? -Tel ze maar.
Het zijn rijen van 25. Hoeveel rijen zijn er?
Eén, twee, drie, acht, negen... Twaalf.
Hoeveel is 25 keer 12?
300, plus het streepje dat ik net heb gezet, dus 301.
Goed gedaan. Zie je, de rekenles helpt.
Geef me een kus. -Dat betekent dat ze honger heeft.
Eens kijken. We hebben maïspap...
maïs, aardappelen, bonen...
en perziken. -Perziken, zeker weten.
Die hebben we gisteren gegeten.
Die kunnen we morgen weer eten.
Laten we vandaag eens iets proberen met wat eiwitten erin.
Misschien bonen. -Bonen zijn vies.
Papa? Bonen of perziken?
Ik weet het niet.
Perziken. -Perziken klinken goed.
Ray.
Zullen we stemmen? -Ray.
Iedereen die bonen wil eten, hand omhoog.
Eén stem voor bonen.
Iedereen die zin heeft in heerlijk zoete perziken, hand omhoog.
Sorry, schat. Twee tegen één.
Drie.
Doet Darlene weer moeilijk? -Nee, ze is een taaie.
Ze heeft alleen een zetje nodig.
Ik zei toch dat ze een taaie was.
De perziken zijn weg.
Dat is niet grappig. -Iemand heeft ze gestolen.
Dat zijn twaalf blikken.
Bijna twee weken rantsoen.
Zijn er geen perziken meer?
Nee, er zijn geen perziken meer.
Iets werd aangetrokken door de suiker. Iets met tanden.
Wat heeft er zulke tanden? -Een rat, waarschijnlijk.
Die kan hier niet binnenkomen. De deur zit goed op slot.
De deur is niet de enige ingang.
Kunnen de Ademers zo ook binnenkomen?
ZoZo. -Kunnen ze dat?
Nee, daar zijn ze te groot voor.
Maar een rat wel.
Als het een rat is, is hij hier nog ergens.
We moeten goed opletten.
We moeten hem vinden voor hij nog meer voedsel steelt.
In de tussentijd moeten we de rantsoenen verlagen.
Maar ze zijn al zo klein.
Het spijt me, Zoe.
Echt waar.
Ik zeg het niet nog eens. Eten.
Ik zei al dat ik geen bonen hoef. -Denk aan regel twee.
Verlies nooit de controle.
Nooit woedend worden. -Regel vijf: Noem me geen ZoZo.
Ik wou gewoon perziken. -Die zijn gepikt.
We zullen allemaal iets moeten opgeven.
Ik heb al niets.
Ik zit opgesloten. Ik kan niet eens naar buiten.
Ik heb geen vrienden, behalve Olive, en die kan maar vijf dingen zeggen.
En wij dan? -Hoezo?
Je zei dat je geen vrienden had.
En wij dan? Zijn mama en ik geen vrienden?
Je weet wat ik bedoel. -Helemaal niet.
Ik vind het raar dat je zegt dat je niets hebt terwijl je alles hebt.
Ja, vast. -Ja. Kijk daar eens naar.
Hoeveel dagen waren het ook alweer? -301.
301.
Eigenlijk hadden we al die dagen dood moeten zijn.
Maar net toen we het nodig hadden...
vonden we deze schuilkelder...
en die heeft ons voedsel, een thuis en een leven geboden.
Misschien zijn alleen wij nog over, de enige overlevenden.
Dus al die streepjes zijn een wonder.
Een wonder? -Inderdaad.
Door dit voedsel blijf je nog een dag leven.
Dan kan er weer een streepje worden gezet.
Ik denk het.
Zie je die koude, papperige bonen op je bord?
Dat zijn ook kleine wondertjes.
En als je je papperige wondertjes voor ons opeet...
kunnen we daarna misschien een uitstapje maken.
Een uitstapje? Echt waar? -Echt waar.
Wel dooreten, want mijn wonderbonen zijn op en ik lust nog wel wat.
Voorzichtig, papa.
Joey's huis moet daar. -Oké, daar gaan we dan.
Acht.
Vijf, zes, zeven... Sylvia's IJssalon.
Ik zal de deur voor je opendoen.
De deur is open.
De belletjes rinkelen boven je hoofd.
Sylvia staat achter de toonbank.
Ze heeft die gekke kegelvormige schort om.
Goedemorgen, kleine Zoe.
En ze geeft je een van die roze plastic lepeltjes.
Je wrijft met je andere hand over de koude glazen toonbank.
Binnen zie je overal vaten vol met Sylvia's zelfgemaakte ijs.
Het is nog vroeg, dus alle lekkere smaken zijn er nog.
Gezouten honing. Pindakaas met nootjes.
En natuurlijk je lievelingssmaak.
Aardbeienkoekjes.
Ben je er?
Ben je weer blij?
Tot morgen.
Tot morgen.
Jij wint.
Ik win.
Ik win. -Het komt allemaal wel goed.
Dat probeer ik te geloven, Ray. Echt waar.
Denkbeeldige ijsjes gaan onze dochter niet voeden.
Ik wilde haar opvrolijken.
Dat doe je ook. Maar wat als ze ziek wordt?
We zijn allemaal al enorm afgevallen, en nu...
En nu moeten we verzinnen hoe we aan meer voedsel komen.
Echt voedsel. Als het moet ga ik naar boven.
Dat kan niet.
Ze zoeken ons nog steeds. -Ik kan tegen ze vechten.
Dat is zelfmoord.
Herinner je je onze belofte toen we hier kwamen?
Zoe komt op de eerste plaats. Wat daar ook voor nodig is.
We zijn gelukkig nog niet gevonden.
Behalve door een rat. -Alleen door een rat.
Lieverd, toch.
Probeer je perspectief te veranderen.
De schuilkelder kan een gevangenis of een thuis zijn.
Bonen kunnen bonen zijn, of... -Wonderbonen.
Waarom niet? -Omdat ik geen negen ben, Ray.
Ik snap wat je doet voor ZoZo.
Maar ik geloof niet in wonderen.
Niet meer. -Dat zou wel moeten.
Dit is nu ons leven, en we moeten het zo goed mogelijk leven.
Wat heeft het anders voor zin?
We moeten overleven. -Dat kunnen we doen...
terwijl we ook leven.
Ray?
Wat doe je?
Leven.
No comments yet. Be the first to leave one.